
In dit interview bespreekt dr. Andrea Mork, content-coördinator, het academische kader en invloedrijke literatuur die ten grondslag liggen aan het proces van selecteren, organiseren en beheren van de collectie van het Huis van de Europese geschiedenis...
Welke academische werken zijn bij het samenstellen van de collectie van grote invloed geweest?
Ik zou allereerst wijzen op de werken van de Zwitserse schrijver Adolf Muschg. Met name zijn artikel Thoughts about the European Identity vormde een uitgangspunt voor de theoretische basis van het samenstellingsproces. In zijn artikel stelt Muschg dat de gedeelde herinnering Europa in wezen zowel verbindt als splijt. Daarnaast hebben werken van Maurice Halbwachs, Aleida Assmann en Pierre Nora geholpen om onze conceptualisering van de gemeenschappelijke herinnering verder te ontwikkelen.
Wat de verhaallijn van het Huis betreft, zijn er diverse belangrijke bronnen van essentieel belang geweest voor onze historiografie: Postwar van Tony Judt; The Age of Extremes van Eric Hobsbawm; en The Transformation of the World van Jürgen Osterhammel. In mijn ogen zijn dit voortreffelijke werken vanwege de rijkdom aan details en de methode van grootschalige analyse in een Europese dimensie die wordt gehanteerd.
Tot slot zou ik een boek van de Franse filosoof Edgar Morin willen noemen - Penser l’Europe. De tekst is betekenisvol omdat hierin de drijvende krachten worden onderzocht die de complexiteit van de Europese "eenheid in verscheidenheid" kunnen helpen verklaren.
In hoeverre hebben deze drijvende krachten de verhaallijn van het museum beïnvloed?
Ons verhaal begint in de negentiende eeuw, waar we de drijvende krachten aanduiden en voor het voetlicht brengen die gedurende deze periode in Europa zijn ontstaan - zoals de concepten van democratie, volkssoevereiniteit, liberalisme, kapitalisme, socialisme en de welvaartsstaat. In onze tentoonstelling proberen we deze denkbeelden te volgen – hoe hebben zij zich ontwikkeld gedurende Europa's reis naar de moderniteit, hoe veranderde extreme rationaliteit in extreme irrationaliteit in de twintigste eeuw?
Een van de unieke aspecten van het museum betreft het gebruik van een "pan-Europese" in plaats van een nationale lens om naar de Europese gebeurtenissen te kijken. Kunt u hier iets over zeggen?
In een zeer vroeg stadium van onze werkzaamheden hebben we drie centrale criteria vastgesteld: we concentreren ons op gebeurtenissen, ontwikkelingen en fenomenen die Europees van oorsprong zijn; zij moeten zich, min of meer, over het continent hebben verspreid; en zij moeten ook vandaag de dag nog relevant zijn.
Wat is de beste werkwijze voor curatoren die aan transnationale projecten deelnemen?
Alle onderzoek, lectuur en tentoonstelling van objecten moet gericht zijn op Europese fenomenen. Curatoren die aan het project deelnemen moeten sommige onderdelen van hun opleiding vergeten en het "nationale denken" over geschiedkundige betrekkingen achter zich laten. Iedere regio en ieder land heeft bijvoorbeeld zijn eigen ervaringen: de Eerste Wereldoorlog heeft een volstrekt andere betekenis in Duitsland, Frankrijk of Polen. We hebben als doel een historiografisch kader van de Europese geschiedenis tot stand te brengen waarbinnen we deze verschillen kunnen verklaren.
De curatoren in het team zijn niet allen historici, maar afkomstig van verschillende academische disciplines. Hoe heeft u bepaald welke disciplines relevant zijn en hoe heeft zich dit bij de samenstelling van de collectie vertaald?
Alle expertise was welkom. Een museum is een medium dat alle zintuigen prikkelt – het moet intellectueel uitdagend, bevredigend, plezierig, inspirerend en verrijkend zijn. Wat het onderzoek naar tentoonstellingsobjecten betreft, moet een curator over gevoel voor esthetische waarden en "aantrekkingskracht" beschikken. Iedere curator in het team is dus anders, met zijn of haar eigen sterke punten. De omstandigheden waren ideaal om al deze talenten samen te brengen en met een veelzijdig resultaat te komen.